terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

terug

teja van hoften: een introductie door Frans Meulenberg

In 1966 verscheen het boek en de film Fantastic Voyage. Na verkleind te zijn tot, in hedendaagse termen, nano-afmetingen spuit men een duikboot met vijf wetenschappers in een bloedvat van een beroemde atoomgeleerde, wiens kennis van vitaal belang is voor de veiligheid van de Verenigde Staten. De bemanning heeft exact 1 uur de tijd om een hersentumor weg te halen. Na dat uur krijgen ze hun gewone lichaamsafmetingen terug en zullen ze, bij niet tijdige terugkeer, het lichaam van de professor aan flarden rijten. Die reis verloopt door heel wat organen van het menselijk lichaam. Het visuele hoogtepuntje, vanuit mannelijk en dus licht seksistische perspectief, is actrice Raquel Welch in een wetsuit avant la lettre. Om dat laatste, Raquel Welch’s outfit, gaat het natuurlijk niet. De film sluit aan bij een eeuwenlange droom van de mens: de transparantie van het lichaam. Bij deze traditie – bij dat verlangen - sluit teja van hoften zich aan in haar werk. En haar verlangen is groot. Het is mede een verlangen naar intimiteit. Intimiteit die wederkerig is.

Mythische reis
Eeuwenlang gold het binnenwerk van lichaam als een mysterie. Gesloten door de huid bleef dat aan het zicht onttrokken. Althans bij leven... Pas nadat wetenschappers via sectie het lichaam ging openen, wist de wetenschap grote sprongen te maken. Daarbij werkten wetenschappers overigens nauw samen met kunstenaars. Denk maar een aan de moulages (kleimodellen) uit de 19e eeuw (nu te zien in Museum Boerhaave, te Leiden). De ondoordringbaarheid van het lichaam groeide allengs uit tot het ideaal van het transparante lichaam. Die transparantiedroom ging geleidelijk in vervulling. Eerst via röntgenstralen, later via andere technieken, zoals allerlei scans en scopiën. Is daarmee ‘alles’ zichtbaar? Nee. Wat wetenschappers zien – wat de heer Röntgen in eerste instantie zag – zijn ‘afbeeldingen’ van het lichaam. En afbeeldingen vragen om duiding, vragen om betekenis. Het ‘lezen’ hiervan vereist training en vaardigheid. De samenhang tussen technologie, gebruikspraktijk en culturele representatie komt tot uitdrukking in, wat hoogleraar José van Dijck ooit noemde: ‘a mythical journey.’ Een mythische reis. En dat is precies wat teja van hoften in haar werk ook onderneemt. Een fascinerende reis waarbij zij moeiteloos én precies de hersenen verbindt met, bijvoorbeeld, de darmen.

Ervaringen
In mijn overtuiging is teja van hoften een filosofisch kunstenaar én een ethisch kunstenaar. ‘Filosofie’ en ‘ethiek’ zijn zware woorden, en wie ze als spreker gebruikt laadt snel de verdenking op zich om zwaarwichtig te willen overkomen. Alsof iemand rond klost met loodzware klompvoeten. Daarom meteen de vereenvoudiging. Met filosofie bedoel ik: iemand die nadenkt over het bestaan, en als hij of zij dat op een ordentelijke, fatsoenlijke manier doet, is zo iemand bezig met ethische reflectie. Ethiek gaat het om het vinden van een antwoord op de aloude vraag van Socrates: ‘hoe te leven?’, met daaraan gekoppeld de vraag: wat voor ‘mens’ wil ik zijn? Dat zijn ook au fond de vragen die teja van hoften zich stelt. Ieder mens, ook u die hier aanwezig is, zou zich die vraag moeten stellen. Bij die plaatsbepaling moet ieder van ons maar zien uit te vinden wáár het hem of haar werkelijk om gaat en wát hem of haar motiveert om zó in het leven te staan als hij of zij staat.
Onze dagelijkse ervaringen staan daarbij voorop en zijn een uitstekend hulpmiddel. Bijvoorbeeld, intieme relaties geven vorm en betekenis aan ons leven. Relaties – met de subkenmerken liefde, vriendschap, altruïsme, betrokkenheid enzovoorts – zijn bouwstenen voor wie en wat wij zijn en willen zijn. De geboorte van een kind, de ziekte van een familielid, de aftakeling van een beminde, een gezamenlijke geschiedenis als goede vrienden: dit alles verschaft ons nieuwe inzichten, een betere en meer adequate visie op het leven en de rol die wij daarin spelen. Bovendien schenken ervaringen en aanpalende emoties ons redenen om naar eigen inzicht moreel te handelen. Volwassen en volgroeide emoties plaveien de weg naar een helder beeld van de wereld en de eigen plek in die wereld.

Praatziek
‘Echte’ ervaring is weliswaar een belangrijke bron voor de morele attitudevorming, maar dat kan nimmer de enige bron zijn. Nietzsche zei al: “Onze ware belevenissen zijn allerminst spraakziek.” Reflectie alleen is dus onvoldoende. Simpelweg omdat wij te weinig meemaken: hongersnood, moord, abortus, kindermishandeling, dierproeven, oorlog of een dictatuur, wij hebben er een (moreel) oordeel over, zonder dat wij dit noodzakelijkerwijs aan den lijve hebben ondervonden. Er is dus meer voeding nodig. Uiteraard kan men terecht bij het altoos herkauwend internet, maar hier beperk ik mij tot de vraag: in welke zin kan kunst daarbij helpen?
Het werk van teja van hoften geeft hier een diepzinnig en volledig antwoord op. Ieder van haar kunstwerken heeft meerdere betekenissen: ze vormen een momentopname, een dagboek en gerangschikt achter elkaar een ‘verhaal’. Een verhaal in beelden, dus. Enerzijds heeft het leven het verhaal nodig (anders bestaat het eigenlijk niet), maar anderzijds is het verhaal niet hetzelfde als het leven. Tussen die twee dingen blijft het schuren, op een spannende manier. Dat maakt dat kunst een paradoxaal effect te weeg kan brengen: het herkennen van het onbekende. Of noem het het bijwonen van een geheim. Kunst toont een ontregelde werkelijkheid, waarin de kunstenaar naar believen kan verschijnen én verdwijnen. Schitterend is dit verwoord door Max Frisch in één van de mooiste liefdesromans die ik ken, en al vele malen herlas, Montauk: “Ik heb mij in mijn werk bloot gegeven, ik weet het, totdat ik onherkenbaar werd.”

Hoogspanning
In al haar werk is teja van hoften bezig met een plaatsbepaling: van zichzelf, van haar lichaam – zowel de buiten- als de binnenzijde én, juist dat is belangrijk haar verhouding tot de wereld op haar heen. Vaak zijn dat mensen, maar in de laatste jaren is dat veel meer haar eigen verhouding tot de omringende natuur. Het besef zowel een lichaam te zijn, als een lichaam te hebben, ligt aan de basis hiervan. De wetenschap onderdeel van de wereld te zijn én in staat te zijn zichzelf binnen die wereld te observeren, geeft het werk zijn hoogspanning. Alles tintelt in haar werk, hoewel ook alles onder controle is. Controle die ook wel ordening mag heten. Is het verwonderlijk dat juist zij werkt aan een Encyclopedie van mijn eigen lichaam? Nee, in het geheel niet.
Haar verhouding tot de wereld is in een paar, met elkaar verwante woorden, te typeren: overeenkomsten, verwantschap, verbondenheid, overdracht. En vooral dat laatste: overdracht, overdracht van betekenis namelijk. Over en weer. Door de huid heen naar binnen, via de huid naar buiten. Dit alles doet denken aan dat ene, wereldberoemde gedicht van Baudelaire, Correspondances, uit Les fleurs du mal.


OVERDRACHT

De natuur is een tempel waar bezielde zuilen
Soms verwarrende berichten prijsgeven:
De mens doorkruist wouden vol symbolen
Die hem met een vertrouwd voorkomen waarnemen.

Als lange echo’s die zich al van verre verbinden
Tot een duistere en diepe eenheid,
Weids als de nacht en oplichtend als inzicht,
Reageren geuren, kleuren en klanken op elkaar.

Er zijn geuren fris als de huid van een kind,
Zacht als het geluid van een hobo, groen als weiden,
En andere, weelderig in overwinningsroes, walmend al,

Die zich verspreiden als alle vormen van oneindigheid,
Zoals amber, muskus, benzoë en wierook,
En de onderlinge werking bezingen van geest en zinnen.

Wat Baudelaire beschrijft en teja van hoften verbeeldt, is de wisselwerking tussen natuur en mens, over en weer, in een nooit eindigende stroom indrukken. Daarbij wil ik vooral wijzen op de ‘wisselwerking’. Het is tweerichtingsverkeer, dit zintuigenverkeer.

Autobiologisch
Even een zijstapje. Een mens heeft twee zenuwstelsels. Over het animale zenuwcentrum oefenen we controle uit. Als ik mijn linkerhand wil opheffen, dan kan ik dat doen. Daarnaast is er het autonome zenuwstelsel dat zich aan onze wil onttrekt. We kunnen wel denken: “hart, stop even met kloppen” maar dat lukt niet. Ook de noodkreet jegens de darmen: “Dit was ontlasting genoeg vandaag, graag een time out”, wil niet lukken. Juist op het autonome stelsel – organen, bloedvaten, lymfevaten en zenuwcellen – richt teja van hoften haar aandacht. Zo maakt zij, als kunstenaar, stemhebbend wat tot op heden stemloos was.

Metaforen
Welkom in de wereld van teja van hoften. Een wereld waarin aderen als koraal zijn die anemoon-organen voeden; longen zijn opgebouwd uit planten, planten die stikstof omzetten in zuurstof waarvan wij mensen weer afhankelijk zijn; pinda’s zijn in deze wereld hersenen; en het hart heeft geen bloedvaten maar takken. Haar kunstwerken doen hetzelfde als onze organen: ze ademen, zuchten, stromen, kloppen, spoelen, zuiveren, verwerken en wat al niet meer. Vooruit, zich ontlasten, dat zal het werk niet doen…
De kunstwerken zijn niet alleen organen, niet alleen symbolen, maar ook metaforen. Taal en de hele menselijke communicatie kan niet zonder metaforen. Metaforen en beelden ontsluiten de werkelijkheid, geven te denken, nodigen uit tot denken, en bieden een context binnen welke wetenschap, cultuur, filosofie en maatschappij zich ontwikkelen. Metaforen genereren zoeklichten maar ook blinde vlekken.
Ik nader het einde van mijn betoog. Ik heb u in deze introductie duidelijk willen maken dat het werk van teja van hoften, hoe uniek ook, in een rijke traditie staat. Daartoe liet ik zelfs zware woorden toe als ‘filosofie’ en ‘ethiek’. Dit ondanks het gegeven dat ik als mens vooral hecht aan lichtheid. Als tegenwicht voor die Grote Woorden wil ik eindigen met een dichtregel van de jonge Nederlandse, maar in Finland geboren, dichter Kira Wuck. Ook zij stelde zich de vraag: “Hoe ziet de mens er vanbinnen uit?” Welnu, haar antwoord is verfrissend nuchter en op glimlachende manier banaal (ik citeer): “vanbinnen zien we er allemaal uit als gehakt.” Ze laat in het midden of dit half-om-half dan wel rundergehakt is, maar de stelling is duidelijk, en geldend voor ons allemaal: “vanbinnen zien we er allemaal uit als gehakt”.
Ik dank u voor uw aandacht.